Het volgende is een kort verslag van het Bahá’í-geloof dat ik heb geschreven voor een naslagwerk
– voor het grote publiek – niet academisch.
Het Bahá’í-geloof
Het Bahá’í-geloof is een religie die de hele wereld heeft omcirkeld en aanhangers heeft gekregen in elk land ter wereld, van elk type religieuze, etnische en sociale achtergrond.
Er zijn meer dan zeven miljoen bahá’ís die in meer dan 230 landen en afhankelijke gebieden leven.
Het is een jonge religie, gebaseerd op de geschriften van Bahá’u’lláh en gericht op het idee dat de belangrijkste vereiste van onze huidige tijd is dat de hele mensheid zich verenigt om vrede te brengen in de wereld. Rond deze centrale focus staan andere leringen die te maken hebben met de geestelijke ontwikkeling van het individu, sociale leringen en het kader van internationale instituten, bedoeld om de eenheid van de mensheid tot stand te brengen, de instructies voor het functioneren van de Bahá’í-gemeenschap die wordt gezien als een embryonale vorm en model van een verenigde wereld en de antwoorden op de langdurige theologische en filosofische kwesties die de mensheid altijd hebben bezig gehouden.
Historisch overzicht
De Stichter van het Bahá’í-geloof is Bahá’u’lláh (Zijn voornaam was Mírzá Husayn ‘Alí Núri, 1817-1892). Hij werd geboren in Iran en in 1844 werd Hij een volgeling van een nieuwe religieuze beweging, opgericht door de Báb (Siyyid ‘Alí Muhammad Shirází, 1819-1850).
De Bábí-beweging veroorzaakte grote opschudding in Iran en leidde tot een felle vervolging van haar aanhangers, waarbij vele duizenden stierven.
Na de executie van de Báb in 1850 werd Bahá’u’lláh in 1853 door de Iraanse regering verbannen naar Bagdad in Irak (dat toen deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk).
Hier in 1863 beweerde Hij de drager te zijn van een nieuwe boodschap van God – een boodschap die voortbouwt op de eerdere religies die in de wereld zijn verschenen en die de mensheid naar de volgende fase van haar sociale ontwikkeling zal brengen – de fase van wereldeenheid.
Bahá’u’lláh werd in 1863 door de Ottomaanse autoriteiten bevolen om naar Istanbul te gaan en werd vervolgens verbannen naar Edirne (1863-1868) en uiteindelijk in 1868 naar ‘Akká in wat toen de Ottomaanse provincie Syrië was en nu de staat Israël is, een stad waar naar de Ottomanen vaak religieuze en politieke gevangenen stuurden. In deze tijd verspreide het Bahá’í-geloof zich naar Egypte, India en Centraal-Azië.
Bahá’u’lláh verbleef in of rond ‘Akká totdat Hij in 1892 overleed.
Hij werd begraven op het terrein van het landhuis Bahji, net buiten ‘Akká en is de heiligste plek ter wereld voor bahá’s.
De wereldwijde geestelijke en bestuurscentra van het Bahá’í-geloof bevinden zich in de regio Haifa – ‘Akká.
We hebben het geluk om een pen-portret van Bahá’u’lláh te hebben van professor
E.G. Browne van de universiteit van Cambridge:
“In de hoek, waar de divan tegen de muur aansloot, zat een wonderbaarlijke en eerbiedwaardige figuur die een vilten hoofddeksel droeg van het soort, dat de derwisjen táj noemen, maar van ongewone hoogte en vorm, waarvan het benedenste gedeelte omwonden was met een smalle witte tulband. Het gelaat van hem op wie mijn blik viel, zal ik nooit vergeten, ofschoon ik het niet kan beschrijven. De doordringende ogen leken diep in iemands ziel te lezen, macht en autoriteit spraken uit dat hoge voorhoofd, diepe groeven in voorhoofd en gelaat deden aan een leeftijd denken die in tegenspraak scheen te zijn met het gitzwarte haar en de tot zijn middel reikende, weelderige baard. Onnodig te vragen in wiens tegenwoordigheid ik mij bevond, toen ik diep boog voor één die het voorwerp is van een toewijding en liefde, die koningen zouden benijden en waar keizers vergeefs naar zouden verlangen!”
Bahá’u’lláh benoemde Zijn zoon ‘Abdu’l-Bahá (Abbas Effendi, 1844-1921) tot Zijn opvolger als hoofd van het Bahá’í-geloof en ook tot de geautoriseerde vertolker van Zijn geschriften.
In 1911 en 1912/1913 maakte ‘Abdu’l-Bahá belangrijke reizen naar Europa en Noord-Amerika om de pas gestichte bahá’í-gemeenschappen daar te consolideren.
Tijdens deze reizen werd ‘Abdu’l-Bahá uitgenodigd om te spreken in kerken, moskeeën en synagogen, om veel prominente mensen te ontmoeten en om veel verschillende organisaties toe te spreken.
Shoghi Effendi (1897-1957) werd na de dood van zijn grootvader ‘Abdu’l-Bahá in 1921 hoofd van het Bahá’í-geloof en gevolmachtigd vertolker van de Bahá’í-geschriften.
Shoghi Effendi besteedde de eerste jaren van zijn ambt aan het opbouwen van het Bahá’í-bestuursstelsel. Vanaf ongeveer 1937 begon hij dit bestuurskader te gebruiken om het Bahá’í-geloof te verspreiden naar alle delen van de wereld waar nog geen bahá’ís waren.
Het Bahá’í-geloof wordt niet verspreid door betaalde missionarissen, maar door gewone bahá’ís die ervoor kiezen om naar een andere plaats te verhuizen en daar te werken in wat voor beroep dan ook, dat ze kunnen vinden. Shoghi Effendi heeft ook het Bahá’í-wereldcentrum uitgebreid en er plannen voor gemaakt, langs de lijnen waarvan de ontwikkeling tot op heden is doorgegaan.
Na het overlijden van Shoghi Effendi in 1957 was er een interim-bestuur tot 1963, toen het Universele Huis van Gerechtigheid werd gekozen, een instelling die in de geschriften van Bahá’u’lláh was verordend. Dit is nu het hoogste bestuurlijke orgaan van het Bahá’i’-geloof.
Het Universele Huis van Gerechtigheid heeft de taak voortgezet om het Bahá’í-geloof naar alle delen van de wereld te brengen en het bahá’í-gemeenschapsleven te ontwikkelen.
In de afgelopen decennia heeft de Bahá’í-gemeenschap te maken gehad met vervolging in sommige islamitische en communistische landen. De hevigste vervolging brak uit in Iran in 1979 na de Islamitische Revolutie aldaar. De leden van de Nationale Raad werden ontvoerd en vermoedelijk geëxecuteerd en veel leden van plaatselijke bahá’í-raden werden ook geëxecuteerd. Alleen door internationale druk kon een genocide voorkomen worden.
De regering van Iran heeft echter een systematische campagne opgezet om de Bahá’í-gemeenschap daar te demoraliseren en met geweld te bekeren.
Op dit moment is India de grootste Bahá’í-gemeenschap ter wereld, maar er zijn ook grote bahá’í-gemeenschappen in Zuid-Amerika, Afrika en Zuidoost-Azië.
De bahá’í-gemeenschappen in de Stille Oceaan behoren tot de grootste gemeenschappen in termen van bevolkingspercentage.
De groei van het Bahá’í-geloof wordt in het Midden-Oosten en delen van Oost-Azië geremd door overheidsbeperkingen en vervolging. De groei in Europa en Noord-Amerika is ook traag, deels vanwege de onverschilligheid ten opzichte van religie in deze landen en deels omdat de toewijding en de geestelijke discipline die het Bahá’í-geloof vereist, op dit moment niet in de mode is bij veel delen van de samenleving.
Heilige Geschriften
Tijdens Zijn leven schreef Bahá’u’lláh een aantal werken en veel brieven (door bahá’ís Tafels genoemd), als antwoord op vragen van zijn volgelingen en anderen. Deze worden allemaal beschouwd als onderdeel van de Bahá’í-geschriften en er wordt gezegd dat ze uit 100 delen bestaan. De belangrijkste werken van Bahá’u’lláh zijn de Kitáb-i-Aqdas (het Meest Heilige Boek), dat de meeste wetten en vele sociale verordeningen van Bahá’u’lláh bevat en de Kitáb-i-Iqán (het Boek van Zekerheid), dat veel theologische vragen behandelt en ook uitlegt hoe de profetieën van de Bijbel en de Koran geestelijk en metaforisch in plaats van letterlijk in vervulling zijn gegaan. Verschillende andere werken van Bahá’u’lláh, zoals de Verborgen Woorden (een samenvatting van Zijn geestelijke en ethische leringen) en de Zeven Valleien (Zijn belangrijkste mystieke werk), staan ook hoog aangeschreven. Veel compilaties van Bahá’u’lláh’s geschriften, voornamelijk uit Zijn brieven, zijn ook vertaald en gepubliceerd.
‘Abdu’l-Bahá schreef over veel thema’s, vooral de sociale leer van het Bahá’í-geloof, de bahá’í interpretatie van de Bijbel en andere geschriften en filosofische vraagstukken.
De geschriften van Bahá’u’lláh’s Voorloper, de Báb en van ‘Abdu’l-Bahá worden ook als geschriften beschouwd, hoewel sommige wetten en sociale verordeningen van de Báb door Bahá’u’lláh werden ingetrokken. De geschriften worden beschouwd als veel meer dan alleen de opslagplaats van de woorden van de Stichter. Het is zelf een scheppende, transformerende impuls.
Shoghi Effendi’s interpretaties van de geschriften van Bahá’u’lláh worden als gezaghebbend beschouwd, hoewel het geen geschriften zijn. Een groot deel van Shoghi Effendi’s geschriften bestaat uit zijn antwoorden op vragen over de ontwikkeling van het Bahá’í-bestuursstelsel. Hij schreef ook een verklarende geschiedenis van het Bahá’í-geloof en vertaalde veel van Bahá’u’lláh’s geschriften. Verslagen over de uitspraken van deze Centrale Figuren worden niet als gezaghebbend beschouwd.
Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá hebben veel gebeden geschreven die bahá’í’s gebruiken voor hun persoonlijke devoties en ook tijdens hun bijeenkomsten. Drie van Bahá’u’lláh’s gebeden hebben een rituele status en bahá’ís zijn verplicht om een van deze drie dagelijks te zeggen. Er is ook een verplicht begrafenisgebed. Andere gebeden van Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá zijn geschikt voor bijvoorbeeld huwelijken, begrafenissen, in moeilijke tijden en om weer gezond te worden, maar er is geen verplichting om ze in deze omstandigheden te gebruiken.
Het Universele Huis van Gerechtigheid heeft de autoriteit om op te treden als het hoofd van het Bahá’í-geloof en om wetten uit te vaardigen op die gebieden die nog niet door de geschriften worden bestreken. Op deze gebieden zijn haar woorden gezaghebbend.
Tot nu toe heeft het Huis van Gerechtigheid er echter de voorkeur aan gegeven om de bahá’ís aan te sporen om hun eigen beslissingen te nemen, gebaseerd op geestelijke en morele principes in plaats van afhankelijk te zijn van gedetailleerde wetgeving.
Bahá’í geloofsovertuigingen
De bahá’í-leringen stellen dat het doel van het leven in deze fysieke wereld is om zoveel mogelijk geestelijke eigenschappen als liefde, rechtvaardigheid, geduld, mededogen, wijsheid, zuiverheid en betrouwbaarheid te tonen – de lijst van deze deugden is lang.
Alle mensen zijn in staat om al deze deugden te tonen, hoewel elk individu de neiging zal hebben om ze in verschillende mate te tonen – vandaar de verschillen in karakter en persoonlijkheid. De fysieke wereld wordt dus gezien als de arena voor de ontwikkeling en perfectie van het menselijk wezen, een klaslokaal voor de geestelijke opvoeding en rijping van de ziel. Onze vooruitgang in deze klas kan het best worden bereikt door de leer te volgen van een van de Grondleggers van de wereldreligies, die de geestelijke Opvoeders van de mensheid zijn. De eerste plicht van menselijke wezens is daarom zich te wenden tot de leiding van een van deze Opvoeders.
Aangezien deze geestelijke eigenschappen die mensen proberen te verwerven, ook de eigenschappen van het Goddelijke zijn, komt het verwerven van deze eigenschappen neer op het dichter bij God komen, goddelijk worden (vandaar het concept dat mensen geschapen zijn naar het beeld van God).
Deze inspanningen om geestelijke eigenschappen te ontwikkelen moet dus niet gezien worden als, dat menselijke wezens die iets anders proberen te worden dan ze al zijn.
Het moet eerder gezien worden als het vrijmaken van het goddelijke potentieel dat al in ieder mens aanwezig is – de Bahá’í-geschriften spreken over opvoeding als het proces van het delven van de edelstenen die in ieder mens aanwezig zijn.
Het hele leven wordt daarom soms beschreven als een reis naar God. In de loop van deze reis kan men op beproevingen en moeilijkheden stuiten, maar deze moeten worden gezien als kansen om vooruitgang te boeken die iemands tekortkomingen aan het licht brengen en hem de kans geven om deze te overstijgen. Voor bahá’ís is verlossing dus geen staat die iemand al dan niet heeft bereikt. Het is een proces dat begint bij de geboorte en doorgaat na de dood – het proces van toenadering tot God. Alleen God kan weten en beoordelen waar iedereen in dit proces is begonnen, welke huidige status is bereikt en hoe snel de vooruitgang is die wordt geboekt.
Mensen zijn daarom niet in staat om over elkaar te oordelen met betrekking tot deze zaken.
Als hulp op iemands geestelijke reis heeft Bahá’u’lláh veel geschreven over de verschillende geestelijke eigenschappen die we moeten proberen te verwerven en heeft Hij bepaalde wetten gegeven die als geestelijke discipline kunnen worden beschouwd.
Als iemand goed piano wil leren spelen, moet hij de discipline opbrengen om elke dag te oefenen en op dezelfde manier heeft Bahá’u’lláh , om mensen te helpen met hun geestelijke vooruitgang, enkele wetten gegeven zoals een dagelijkse eis om te bidden, te mediteren, de schriften te lezen en een jaarlijkse periode van vasten.
Bahá’u’lláh heeft echter elke vorm van priesterschap of religieus leiderschap onder de bahá’ís verboden. Alle bahá’ís hebben de plicht om zelf de waarheid te onderzoeken door gebed, bestuderen van de geschriften, meditatie en reflectie op hun ervaringen.
De geestelijke leiding die religieuze leiders in andere religies geven kan uit deze bronnen worden verkregen, maar ook uit groepsoverleg over moeilijke kwesties.
Bij het onderrichten van het Bahá’í-geloof aan anderen moet wijsheid worden gebruikt om confrontatie en twist te voorkomen, maar het verloochenen van iemands geloof is niet toegestaan. Hoewel de vele martelaren die het Bábí- en Bahá’í-geloof hebben gehad worden geprezen, moet het martelaarschap niet opzettelijk worden nagestreefd en wordt zelfmoord veroordeeld.
Bahá’u’lláh verzekert dat er een Opperste Werkelijkheid is die in de westerse gebieden God wordt genoemd. Aangezien God oneindig is en menselijke geesten alleen het eindige kunnen conceptualiseren, heeft de mens geen toegang tot kennis van de Allerhoogste
Werkelijkheid. Noch de formuleringen van God, gemaakt door de westerse religie, noch de beschrijvingen van verschillende soorten ultieme realiteiten, gegeven in de oosterse religies (bijvoorbeeld Brahman, Dharmakaya, Nirvana of de Tao) zijn adequaat of accuraat.
De Allerhoogste Werkelijkheid overstijgt al deze formuleringen en conceptualiseringen.
De enige kennis die we van die Opperste Werkelijkheid kunnen krijgen, is de kennis die ons gebracht wordt door bepaalde tussenpersonen die van tijd tot tijd opstaan en de grote religies van de wereld stichten. Deze tussenpersonen, onder wie bahá’ís Abraham, Krishna, Zoroaster, Boeddha, Christus en Mohammed herkennen, openbaren de eigenschappen van God aan mensen zowel in de geschriften die zij voortbrengen als in hun eigen persoon, daarom worden zij in de Bahá’í-geschriften Manifestaties van God genoemd. Alle kennis die mensen hebben van de Allerhoogste Werkelijkheid is in werkelijkheid kennis van de Manifestaties van God. Bahá’u’lláh beweert de laatste te zijn in deze keten van Manifestaties van God. De Báb wordt ook beschouwd als een Manifestatie van God.
Deze Manifestaties van God brengen de wereld die leringen die nodig zijn voor de geestelijke en sociale vooruitgang van de mensheid. Aangezien elk van deze Stichters op een ander tijdstip in verschillende delen van de wereld is gekomen, is Hun boodschap aangepast aan de behoeften van de tijd en plaats. De boodschap van elke Manifestatie van God bouwt voort op wat de vorige heeft gebracht. Bahá’u’lláh beweert dat Hij de laatste in deze reeks boodschappen van de Allerhoogste Werkelijkheid heeft gebracht en dat Zijn boodschap de boodschap is die relevant is voor vandaag, dat vandaag de tijd is waarin de hele mensheid moet samenkomen in een wereldomvattende eenheid. Bahá’u’lláh beweert van gelijke rang te zijn en geestelijk inderdaad dezelfde werkelijkheid te bezitten als de voorgaande Stichters van de wereldreligies. Het is slechts het feit dat deze boodschap de meest recente en daarom de volledigste en meest relevante openbaring van Gods wil is, dat het Zijn openbaring van groter belang maakt voor de mensen van deze tijd.
Bahá’u’lláh beweert dat alle geschriften van de wereldreligies profetieën bevatten over een toekomstige wereldverlosser en dat Hij de vervulling van al deze profetieën is.
Een van de belangrijkste vragen die religies hebben proberen te beantwoorden is, wat gebeurt er na de dood? Bahá’u’lláh stelt dat de mens na de dood verder bestaat als een geestelijke entiteit (een ziel) en vooruit gaat in hogere geestelijke werelden naar zijn uiteindelijke doel van hereniging met God. In deze wereld bereiden we ons in zekere zin voor op de volgende wereld en we kunnen dit het beste doen door een van de geestelijke Opvoeders van de mensheid, de Stichters van de wereldreligies, te volgen.
In de bahá’í-geschriften wordt de analogie gebruikt van het embryo in de baarmoeder van zijn moeder. Net zoals het embryo armen, benen en ogen ontwikkelt, waarvan de noodzaak pas duidelijk wordt als het in deze wereld geboren wordt, zo ontwikkelen mensen in dit leven geestelijke eigenschappen waarvan het belang pas na de dood ten volle zal worden ingezien.
De geschriften van vele religies hebben geschreven over de hemel en de hel met betrekking tot het leven na de dood. Bahá’ís geloven dat dit metaforen waren voor de toestand van respectievelijk dicht bij of ver van God zijn. In die zin kunnen we ook in deze wereld in de hemel of in de hel zijn.
Een andere vraag die religies hebben is, proberen te beantwoorden waarom er kwaad en lijden is in deze wereld, indien God genadig en goed is. Een antwoord op deze vraag is dat als menselijke wezens niet de potentie hebben om kwaad te doen en lijden te veroorzaken, er niet gezegd kan worden dat ze een vrije wil hebben, wat een van de eigenschappen van God is – en daarom kunnen ze God niet kennen en deze eigenschap van God niet verwerven.
Een deel van ons lijden is natuurlijk het directe gevolg van onze eigen daden, iets wat we verkeerd of onverstandig hebben gedaan. De bahá’í-leringen beweren dat het universum beheerst wordt door fysieke, morele en geestelijke wetten en als we deze wetten overtreden of er tegenin gaan, moeten we verwachten dat we de gevolgen daarvan zullen ondervinden.
Een ander antwoord op zijn vraag is hierboven gegeven – dat lijden mensen kan helpen om geestelijk te groeien; het zorgt er inderdaad vaak voor dat mensen zich de leegte van deze wereld realiseren en hun aandacht richten op het belang van het geestelijke leven.
De bahá’í-geschriften beweren inderdaad dat er geen kwade kracht (zoals satan) in de wereld is. Dergelijke concepten verwijzen in werkelijkheid naar de dierlijke kant van de mens dat toegestaan wordt het geestelijke aspect te overheersen; de mens verandert dan in een entiteit die lager is dan het dier.
Bahá’u’lláh schrijft dat de mensheid nu volwassen is en dat daarom veel van de concepten en praktijken die voorheen deel uitmaakten van religie kunnen worden afgeschaft, zoals concepten als satan, hemel en hel als letterlijke fysieke entiteiten en praktijken als biecht en priesterlijke vergeving van zonden. Zulke dingen behoren tot de kindertijd van de mensheid en kunnen nu worden weggegooid of op een meer volwassen en verfijnde manier worden geherconceptualiseerd.
De breekbaarheid en strijdlustigheid van de menselijke samenleving wordt ook beschouwd als iets dat de mensheid achter zich laat wanneer ze volwassen is.
Familie en samenleving
De bahá’í-leringen beschouwen het gezin als het fundament van de geestelijke ontwikkeling van het individu en de basis voor de stabiliteit en vooruitgang van de samenleving.
De beste en sterkste huwelijken zijn die, welke gebaseerd zijn op zowel de geest als het lichaam. Een van de belangrijkste functies van het huwelijk is het grootbrengen van kinderen. De gezinseenheid is de beste manier om een evenwichtige en stabiele achtergrond te bieden waarin kinderen kunnen opgroeien en leren om morele en sociale wezens te worden.
Echtscheiding wordt sterk afgeraden, maar als er onverzoenlijke verschillen en antipathie tussen de partners zijn, is het toegestaan na één jaar wachten, waarin inspanningen moeten worden gedaan om een verzoening tot stand te brengen.
Van de bahá’í-leringen kan gezegd worden dat ze gericht zijn op een vergeestelijking van zowel het individu als zijn directe samenleving en van de hele mensheid op wereldniveau.
Als individuen zijn mensen verantwoordelijk voor hun eigen geestelijke transformatie en ontwikkeling. Maar mensen zijn ook sociale wezens en hebben een verantwoordelijkheid voor de transformatie van hun samenleving. De twee processen zijn zelfs wederkerig, voor zover iemands betrokkenheid bij het verbeteren van zijn samenleving op zijn beurt zijn eigen geestelijke ontwikkeling ondersteunt.
Bahá’ís zien de sociale leringen in de verschillende religies van de wereld als de oorzaak van de sociale ontwikkeling van de mensheid. De volgende fase van dit proces moet plaatsvinden via de leringen, gebracht door Bahá’u’lláh en is gericht op het verenigen van de mensheid en het vestigen van wereldvrede. Wat de Bahá’í-geschriften geven zijn geen specifieke economische, politieke beleidslijnen en wetten, maar eerder principes die alle sociale beleidslijnen en wetten moeten leiden als ze succesvol willen zijn, in het brengen van vooruitgang naar wereldvrede en dus naar het welzijn en de vooruitgang van de mensheid.
Bahá’u’lláh ziet de leringen die Hij heeft gebracht als het scheppen van een nieuwe sociale werkelijkheid. Een aspect van deze nieuwe sociale realiteit is dat ze mondiaal zal zijn, dat het bewustzijn van mensen, hun identiteiten naar een mondiaal niveau zullen worden getild, zodat ze niet langer aan zichzelf denken in termen van enge raciale, religieuze, etnische of klassenidentiteiten, maar eerder als burgers van de wereld. De visie die hieraan ten grondslag ligt is die van de organische eenheid van de menselijke wereld.
De wereld van de mensheid wordt in de geschriften van Bahá’u’lláh vergeleken met het menselijk lichaam dat bestaat uit massa’s cellen, die op elk hun eigen manier bijdragen aan het geheel en van het geheel hun voeding ontvangen, maar die tegelijkertijd hun individualiteit behouden. Om zo’n staat te bereiken moeten natuurlijk de verschillende vooroordelen en haatgevoelens worden weggenomen die de mensen nu verdelen en de onrechtvaardigheden die de woede en wrok van grote aantallen mensen aanwakkeren en leiden tot vervreemding, vandalisme en terrorisme.
Een van de meest blijvende en diepgewortelde vooroordelen in de menselijke wereld zijn gendervooroordelen. Gedurende het grootste deel van de opgetekende geschiedenis is de menselijke samenleving voornamelijk patriarchaal geweest, dat wil zeggen de heerschappij van mannen.
De waarden van patriarchale samenlevingen zoals macht, overwinning en overheersing, zijn precies de waarden die agressiviteit en oorlog bevorderen. Daarom verwijzen de Bahá’í-geschriften naar de noodzaak om een beter evenwicht te bereiken tussen de mannelijke en vrouwelijke elementen in de samenleving en naar het belang om vrouwen te helpen een actievere rol in de sociale sfeer te spelen. Dit zal op zichzelf al een krachtig middel zijn om vrede in de wereld te bevorderen. Aangezien vrouwen gewoonlijk de eerste opvoeders van hun kinderen zijn, wordt bovendien in het Bahá’í-geloof veel nadruk gelegd op het belang van de opvoeding van de dochter, zodat zij op haar beurt een goede opvoeder van haar kinderen kan zijn.
De Bahá’í-geschriften stellen dat het menselijk verstand en zijn redeneervermogen een van de onderscheidende kenmerken van de mensheid zijn en de wetenschap die daarvan de vrucht is, als een goddelijke gave wordt beschouwd. Wetenschap en religie hebben in het verleden echter vaak tegenover elkaar gestaan. De Bahá’í-geschriften beschrijven wetenschap en religie als de twee vleugels van de vogel van de mensheid, alleen als beide sterk zijn en samenwerken kan de vogel vliegen. Zo heeft de wetenschap die de mensheid een beheersing over de natuur biedt, religie nodig om te voorkomen dat die beheersing een bron van kwaad, oorlog of milieuramp wordt. Op dezelfde manier daalt religie zonder wetenschap af tot bijgeloof en bekrompenheid.
Een van de belangrijkste vragen waar de mensheid voor staat is de balans tussen individuele rechten en de behoefte van de samenleving aan orde en verantwoordelijkheidsgevoel bij haar burgers. In de vorige eeuw werd de cultus van het individualisme enorm gepromoot door politici en anderen, voornamelijk in het Westen. Maar Bahá’u’lláh waarschuwde dat als zulke vrijheid te ver wordt doorgevoerd, het een grote bron van kwaad kan worden die leidt tot losbandigheid en verdorvenheid. Hij pleitte voor gematigdheid in zulke zaken.
De individuen in de samenleving moeten echter geestelijk getransformeerd worden om de gegeven vrijheden op een verantwoordelijke en bewuste manier te kunnen gebruiken.
De Bahá’í-geschriften bevelen democratische regeringsvormen aan en roepen in het bijzonder op tot overleg als de belangrijkste manier om beslissingen te nemen.
Met andere woorden, de mensheid moet af van de situatie (dat zich net zo goed in democratieën als in autoritaire regimes kan voordoen) waarin één persoon of een groep alle belangrijke beslissingen neemt. Degenen die gezaghebbende posities bekleden en de gekozen vertegenwoordigers van het volk moeten de hoogste morele standaarden aanhouden en vooral rechtvaardig en onbaatzuchtig zijn in de uitvoering van hun taken.
De bahá’í-leringen stellen dat het meeste economische beleid van regeringen vandaag de dag gedoemd is te mislukken omdat het gebaseerd is op onjuiste aannames. Een van deze onjuiste veronderstellingen is het idee dat menselijk geluk en tevredenheid bereikt kunnen worden door alleen maar de rijkdom van de individuele leden van de samenleving te vergroten.
Volgens de bahá’í-leringen en die van andere religies komt waar menselijk geluk voort uit onthechting van rijkdom en dienstbaarheid aan anderen. Economische problemen zijn ten diepste geestelijk van aard, ze zijn een symptoom van een geestelijke malaise en kunnen dus alleen opgelost worden door de onderliggende geestelijke problemen te corrigeren, problemen zoals onrechtvaardigheid, corruptie en egoïsme. De rijken zouden zich moeten realiseren dat hun geestelijke gezondheid afhankelijk is van het delen van hun rijkdom.
Allen zouden nuttige kunsten en wetenschappen moeten leren en zich bezig houden met werk dat, indien het wordt uitgevoerd in een geest van dienstbaarheid, wordt beschouwd als aanbidding.
Deze sociale doelen zoals een nieuw mondiaal bewustzijn en vrijheid van vooroordelen, kunnen worden bereikt door de persoonlijke transformatie die de kracht van religie teweeg- brengt. Een andere belangrijke manier om sociale verandering te bewerkstelligen is door opvoeding. Opvoeding moet zich in de eerste plaats bezighouden met de vorming van zeden en waarden in het kind en pas in de tweede plaats met de overdracht van kennis.
Op deze manier wordt het ook een belangrijke factor in het terugdringen van criminaliteit.
Wat de problemen op wereldniveau betreft, stelde Bahá’u’lláh dat de problemen van de wereld niet kunnen worden opgelost en de welvaart van de mensen niet kan worden bereikt tenzij en totdat de wereld verenigd wordt. Als eerste stap op deze weg richtte Hij Zich tot de koningen en heersers van de werelden riep hen op om een internationale conferentie bijeen te roepen, waar ze alle resterende grensgeschillen en openstaande geschilpunten zullen oplossen, hetzij door overeenstemming, hetzij door arbitrage. Zodra deze fase van de conferentie is afgerond zullen de naties van de wereld een bindende overeenkomst tekenen om deze erkende grenzen te handhaven en zullen ze overeenkomen dat als een land de grens van een ander land overschrijdt, alle andere landen van de wereld tegen de agressor in opstand zullen komen. Deze wederzijdse gegarandeerde veiligheid zal, zo beweren de Bahá’í-geschriften, de naties van de wereld, vooral de armere naties, in staat stellen om hun uitgaven aan bewapening te verminderen en de daaruit voortvloeiende besparingen te besteden aan die gebieden zoals gezondheidszorg en onderwijs, die welvaart zullen brengen aan hun volkeren.
De grote problemen van de wereld, zoals milieuvervuiling, de kloof tussen de rijke en arme landen, de opwarming van de aarde en drugshandel, dit zijn mondiale problemen en kunnen daarom alleen effectief op mondiaal niveau worden aangepakt. Uiteindelijk zal het daarom, zo beweren de Bahá’í-geschriften, noodzakelijk worden om mondiale instellingen op te richten, waaronder een wereldwetgevende macht, een werelduitvoerende macht en een wereldgerechtshof.
Andere sociale leringen die in de bahá’í-geschriften te vinden zijn, zijn eveneens gebaseerd op het onderliggende geestelijke principe van rechtvaardigheid of ze bevorderen een mondiale visie en een werkelijk geïntegreerde wereldorde. Hiertoe behoort het gebod aan de regeringen van de wereld om een universele taal aan te namen die op alle scholen naast de moedertaal van elk volk zal worden onderwezen, de aanneming van een universeel systeem van maten en gewichten, de aanneming van een universele standaard van mensenrechten en de universele leerplicht voor kinderen.
Het belang en de voorrang van de landbouw wordt ook in de bahá’í-geschriften benadrukt.
Tot de dingen die in andere religies voorkomen maar die door Bahá’u’lláh specifiek worden afgeschaft, behoren: het priesterschap, het voeren van een heilige oorlog, ascese en monnikendom, het belijden van zonden, het verbranden van boeken, het gebruik van spreekstoelen en het als onrein beschouwen van bepaalde mensen of dingen.
We leven in een wereld die al verenigd is op het gebied van reizen, communicatie, nieuwsmedia, financiën en zaken doen. We moeten ons bewustzijn verhogen tot dit niveau van eenheid, onszelf toestaan ons te verhouden tot zijn nieuwe identiteit en beperkte nationale, raciale, klasse- of stamidentiteiten achter ons laten.
Maar verder moeten mensen streven naar een nog hoger niveau van eenheid waar ze tot een geestelijk begrip komen van de eenheid van de hele mensheid, een gevoel van solidariteit met alle mensen, zodat het lijden van mensen in welk deel van de wereld dan ook, wordt als het lijden van onze eigen broeder of zuster.
Het is belangrijk om op te merken dat de bahá’í-geschriften specifiek waarschuwen tegen elke neiging tot uniformiteit. Het bahá’í-idee is niet om iedereen onder één dominante cultuur te laten vallen. Overmatige centralisatie moet vermeden worden en beslissingen moeten zovele mogelijk op lokaal en nationaal niveau genomen worden. Naties zullen blijven bestaan (en mensen zullen een gematigde mate van patriottisme blijven hebben) maar ze moeten bepaalde rechten afstaan aan deze wereldwijde instellingen, inclusief het recht om oorlog te voeren. Het is belangrijk dat eenheid tot stand komt in de aanwezigheid van een verscheidenheid aan culturen. Het doel van de bahá’í is om de rijke verscheidenheid aan menselijke taal, cultuur, traditie en gedachten op deze planeet te behouden en tegelijkertijd de oorzaken van conflicten en onenigheid weg te nemen.
Voor sommigen kunnen bahá’ís dromers lijken die het onmogelijke wensen, voor anderen kan zo’n visie de sociale controle en het autoritarisme van George Orwells nachtmerrie 1984 oproepen. Bahá’ís zouden de eerste groep antwoorden door te zeggen dat zij verre van dromers zijn, maar dat zij juist wakker zijn geworden voor de realiteit van de onderling verbonden en onderling afhankelijke wereld waarin we nu leven en dat integendeel, zij die denken dat we de wereld op de huidige manier kunnen blijven besturen zonder op een ramp af te stevenen, de dromers zijn.
Tegen de tweede groep zouden bahá’َís willen zeggen dat de Orwelliaanse nachtmerrie weliswaar een sterke emotionele aantrekkingskracht heeft, maar niet overeenstemt met de feiten. Een grotere mate van eenheid, mits binnen een democratische structuur, geeft individuen meer rechten in plaats van minder. Een burger van Frankrijk kan bijvoorbeeld, omdat zijn land lid is geworden van de Raad van Europa, zijn eigen regering voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dagen.
Aanbidding en feesten
Over het algemeen zijn er weinig rituelen en vaste handelingen van openbare eredienst in het Bahá’í-geloof en er zijn zelfs specifieke instructies om deze niet te laten ontstaan.
Zoals hierboven vermeld worden bahá’ís door Bahá’u’lláh opgedragen dagelijks te bidden en tweemaal daags de geschriften te lezen en erover te mediteren.
Er is een jaarlijkse vastenperiode van 19 dagen waarin bahá’ís van zonsopgang tot zonsondergang vasten. Dit is een periode van geestelijke regeneratie en een symbool van iemands onthechting van de dingen van deze wereld.
Er zijn geen vaste openbare gemeenschappelijke rituelen in het Bahá’í-geloof. De bahá’í-gemeenschap als geheel komt eens in de negentien dagen samen (het Negentiendaags- feest) heeft drie onderdelen, te weten devotioneel, consultatie en sociaal. Bahá’ís kiezen over het algemeen een programma van gebeden, lezingen en muziek. Op dezelfde manier zijn er, afgezien van de uitwisseling van geloften bij de huwelijksceremonie en het opzeggen van een bepaald gebed bij een begrafenis, geen vaste ceremonies voor deze gelegenheden en kunnen families hun eigen programma kiezen. Het gebrek aan vaste formele rituelen betekent dat artistieke en lokale culturele elementen in deze bijeenkomsten kunnen worden verwerkt.
De negen bahá’í heilige dagen herdenken gebeurtenissen uit het leven van de Báb en Bahá’u’lláh. Het bahá’í-nieuwjaar valt op de lente-equinox (21 maart) en wordt ook als heilige dag gevierd. Bahá’ís werken indien mogelijk niet op deze dagen. Er zijn geen vaste rituelen die op deze dagen worden uitgevoerd, hoewel er enkele specifieke passages uit de geschriften zijn die bij deze dagen passen en daarom gewoonlijk worden gereciteerd.
Bahá’ís die in staat zijn om op bedevaart te gaan naar de heilige plaatsen van het Bahá’í-geloof in het Haifa-‘Akká gebied. Deze heilige plaatsen zijn onder andere de heiligdommen van Bahá’u’lláh, de Báb en ‘Abdu’l-Bahá en plaatsen waar Baháִ’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá geleefd hebben. De pelgrimstocht duurt negen dagen en er is een programma voor georganiseerd door het Bahá’í-wereldcentrum.
Momenteel worden de meeste bijeenkomsten van bahá’í-gemeenschappen gehouden in de huizen van de bahá’ís, of als er genoeg bahá’ís in een gebied zijn, kopen of huren ze een bahá’í-centrum. Afgezien van het Negentiendaagsfeest en de herdenking van heilige dagen hebben de meeste bahá’í-gemeenschappen bijeenkomsten om het Bahá’í-geloof aan mensen die belangstellend zijn te introduceren, zoals devotionele bijeenkomsten, studiekringen en kinderklassen. Het is de bedoeling dat elke bahá’í-gemeenschap in de toekomst wordt gecentreerd rond een Huis van Aanbidding, een gebouw dat gewijd zal zijn aan aanbidding, vooral bij het aanbreken van de dageraad.
Daarom heen zullen sociale instellingen worden gebouwd zoals scholen, ziekenhuizen, weeshuizen en bibliotheken. Op dit moment zijn er slechts zeven van deze Huizen van aanbidding gebouwd (2003), verspreid over de hele wereld.
Het Bahá’í-geloof in de hedendaagse wereld
Bahá’ís zijn van mening dat Bahá’u’lláh niet alleen de leringen heeft gebracht die nodig zijn om eenheid in de wereld tot stand te brengen, maar ook het instrument heeft geschapen om dit tot stand te brengen door middel van Zijn instructies voor de oprichting en het functioneren van de Bahá’í-gemeenschap. De Bahá’í-gemeenschap wordt dus door bahá’ís beschouwd als zowel een model als een embryonale vorm van de toekomstige wereld die in Bahá’u’lláh’s geschriften wordt beoogd.
Het Bahá’í-geloof kent geen geestelijken of andere vormen van individueel leiderschap.
Alle bahá’ís moeten elkaar als gelijken beschouwen en allen worden aangemoedigd om zo actief aan het bahִá’í-gemeenschapsleven deel te nemen als hun omstandigheden toelaten.
Zoals hierboven aangegeven, proberen bahá’ís gemeenschappen op te bouwen die niet patriarchaal zijn, gemeenschappen waarin geen hiërarchiebouwen die niet patriarchaal zijn, gemeenschappen waarin geen hiërarchieën van individuen bestaan, waar mensen van elk ras, minderheidsgroep, klasse en geslacht eraan kunnen deelnemen, hun mening kunnen geven en het gevoel hebben dat hun bijdrage gewaardeerd wordt. Deze taak is nog niet volbracht, maar is een “werk in uitvoering”. In tegenstelling tot veel religies die terugkijken naar een oeroude gouden eeuw zijn bahá’ís zich er zeer van bewust dat ze naar hun ideaal aan het toewerken zijn. De volgende paragrafen geven een idee van de manier waarop bahá’َs deze doelen proberen te implementeren.
Omdat de Bahá’í-gemeenschap geen individuele religieuze leiders heeft, worden haar zaken bestuurd door gekozen raden die “Geestelijke Raden” worden genoemd. Deze worden jaarlijks gekozen op lokaal en nationaal niveau en om de vijf jaar op internationaal niveau (voor het Universele Huis van Gerechtigheid). Verkiezingen worden gehouden in een biddende sfeer en zonder enige vorm van verkiezingsstrijd. De gekozenen hebben zelf geen rang of autoriteit, alleen de raad heeft autoriteit wanneer ze beslissingen neemt na overleg.
Zoals hierboven aangegeven is het gezag van deze raden zo gedecentraliseerd mogelijk, waarbij lokale beslissingen op lokaal niveau worden genomen.
Bahá’í-besluitvorming vindt plaats door middel van consultatie. Het bahá’í-consultatieproces is ontworpen om het voor iedereen gemakkelijker te maken om eraan deel te nemen, zelfs voor degenen die niet gewend zijn om in het openbaar te spreken. Het moet worden uitgevoerd in een gebedsvolle sfeer en de geestelijke eigenschappen waarvan gezegd wordt dat ze nodig zijn voor deelname aan het consultatieproces, zijn onder andere zuiverheid van motief, uitstraling van geest, onthechting van al het andere behalve God en nederigheid en geduld.
Door deel te nemen aan dit proces ontwikkelt men dus ook geestelijke eigenschappen.
Het doel is om een bundeling van ideeën en creativiteit te scheppen waaruit de beste beslissing of het beste begrip voortkomt op basis van de collectieve wijsheid van de groep.
Dit proces van overleg wordt ook in andere contexten gebruikt. Het wordt gebruikt op het Negentiendaagsfeest (zie hierboven), wanneer de zaken van de gemeenschap worden besproken. Het kan ook gebruikt worden voor het verkrijgen van geestelijke leiding uit de geschriften en voor het nemen van persoonlijke beslissingen.
Het ethos van de bahá’í-gemeenschap is erg gericht op, sommigen zouden zelfs zeggen, obsessief gericht op eenheid. Men zou kunnen zeggen dat eenheid de hoogste waarde is in het Bahá’í-geloof. Het is natuurlijk logisch dat een religie die gelooft dat het haar missie is om eenheid in de wereld te brengen, zelf niet verdeeld kan zijn. Er zijn bijvoorbeeld maatregelen genomen om te voorkomen dat er sektarische groepen ontstaan rond charismatische leiders of bepaalde ideologieën. Zo worden alle bahá’ís aangemoedigd om de bahá’í-geschriften te lezen en zelf te interpreteren, maar niemand mag beweren dat zijn of haar interpretatie de juiste gezaghebbende is.
De hoeksteen van de eenheid van de Bahá’í-gemeenschap is het concept van het Verbond. Dit verwijst naar de aangewezen autoriteit van de opeenvolgende hoofden van het Bahá’í-geloof en vereist dat elke bahá’í loyaal is aan het hoofd van het Geloof (het “Centrum van het Verbond”) in zijn eigen tijd (wat momenteel het Universele Huis van Gerechtigheid inhoudt) en deze gehoorzaamt.
Dus hoewel het Geloof in een bepaalde geloofsbelijdenis of het aanhangen van een bepaalde rechtsschool de onderscheidende factor van een bahá’í kan zijn, is gehoorzaamheid en loyaliteit aan het “Centrum van het Verbond”.
De bahá’í-gemeenschap heeft zich systematisch over de wereld verspreid. Een reeks plannen die vanaf 1937 begon en tot op heden voortduurt, heeft geresulteerd in de verspreiding van het Bahá’í-geloof naar elk land ter wereld (met uitzondering van het Vaticaan) en in de oprichting van bahá’í-instellingen in alle landen waar deze niet specifiek bij wet verboden zijn. Bahá’ís hebben ook doelbewust en systematisch geprobeerd om leden van elke tribale (stam) en etnische minderheid in elk land in de bahá’í-gemeenschap op te nemen. Bahá’í-literatuur is vertaald in meer dan 800 talen. Recente plannen hebben echter de nadruk verlegd van louter geografische spreiding en het oprichten van instellingen naar meer kwalitatieve doelen, waarbij de bovenstaande visie op hoe een bahá’í-gemeenschap zou moeten functioneren, meer in de richting van de werkelijkheid wordt gestuurd en een nieuwe cultuur van universele deelname aan de activiteiten van de gemeenschap wordt aangemoedigd.
De snelle groei van het Bahá’í-geloof in de jaren 1960-1980 heeft een groot aantal arme, ongeletterde dorpelingen en inheemse stammen in de Derde Wereld in India, Afrika en Zuid-Amerika tot de gemeenschap gebracht. Dit vormde een enorme uitdaging voor de Bahá’í-gemeenschap. De bahá’í-leringen leggen een grote nadruk op onderwijs voor de Bahá’í-gemeenschap. De bahá’í-leringen leggen een grote nadruk op onderwijs en het uitbannen van extreme armoede en rijkdom. Ook het bahá’í-bestuurssysteem functioneert niet goed als er niet een zekere mate van geletterdheid aanwezig is. De bahá’í-gemeenschap heeft dus moeten worstelen met het probleem van de sociale en economische ontwikkeling van gemeenschappen. Zoals hierboven aangegeven, verwerpen de bahá’í-leringen het concept dat een dergelijke ontwikkeling alleen zou moeten gaan over het vergroten van de welvaart van een gemeenschap. Ontwikkeling zou eerder moeten gaan over het verbeteren van de menselijke hulpbronnen van elke gemeenschap, het vergroten van hun zelfredzaamheid, het verbeteren van hun gemeenschappelijke solidariteit, het geven van toegang tot kennis en het wegnemen van bronnen van onrechtvaardigheid waar mogelijk. Natuurlijk kunnen sommige van deze doelen niet worden bereikt met de inbreng van materiële middelen, maar deze moeten een aanvulling zijn en niet het hoofddoel. Het doel is om geestelijke, morele en materiële ontwikkeling met elkaar te verbinden.
In de praktijk hebben bahá’ís over de hele wereld duizenden projecten opgezet. Sommige daarvan zijn van korte duur zoals gezondheidskampen, trainingsseminars, het planten van bomen en milieu-opruimingsprojecten. Andere zijn langlopend en omvatten alfabetiserings-, gezondheidszorg-, landbouw- en milieuprojecten. Het grootste aantal van dergelijke projecten zijn scholen, variërend van eenvoudige dorpsschooltjes tot grote middelbare scholen en zelfs enkele universiteiten.
Niet alle onderwijsprojecten van bahá’ís hebben echter betrekking op kinderen.
Het Barli Development Institute for Rural Women in Indore, India bijvoorbeeld, leidt stam- en dorpsvrouwen op in alfabetisering, beroepsvaardigheden en organisatorische vaardigheden en maakt van hen een bron van kennis over hygiëne, gezondheid en milieukwesties in hun gemeenschap. Het project werd in 1992 door UNEP opgenomen in de Global 500 Roll of Honour, in 1994 in de INNOV-database van UNESCO als een van de 81 succesvolle projecten voor basisonderwijs in ontwikkelingslanden en in 2000 door UNICEF erkend als beste praktijk in het onderwijs aan meisjes. Ook FUNDAEC (Fundación para la Aplicaión y Enseñanza de la Ciencias) is een Colombiaanse stichting die is opgericht door een groep universiteitsprofessoren met als doel middelbaar en universitair onderwijs te ontwikkelen voor de plattelandsbevolking, in plaats van te beginnen met basis- of beroepsonderwijs.
In zo’n dertien departementen van het land is het overgenomen door staatsinstellingen of particuliere, niet-gouvernementele instellingen, waarmee meer dan 15.000 studenten worden bereikt en de methoden zijn nu overgenomen door een ander, door bahá’í geïnspireerd programma, in Honduras.
In Zuid-Amerika zijn radiostations, vanwege de reis en communicatieproblemen, bijzonder effectief gebleken als instrument voor sociale ontwikkeling. Het bahá’í radiostation in Otvalo, Ecuador, wordt niet alleen gebruikt om programma’s over alfabetisering , onderwijs, landbouw en gezondheid uit te zenden, maar zet zich ook in om de cultuur van het Quichua-volk, die vaak een tweederangs status heeft onder de dominante Hispanic (Latijns-Amerikaans) cultuur, te verhogen en nieuw leven in te blazen.
Bahá’í-gemeenschappen hebben zes radiostations in Amerika (2003).
Een kenmerk van al deze bahá’í-projecten is dat de voordelen ervan niet beperkt zijn tot de bahá’ís in de plaatsen waar ze worden uitgevoerd, maar openstaan voor de hele gemeenschap. Een ander kenmerk is dat deze projecten worden ontwikkeld in overleg met degenen voor wie ze bedoeld zijn. Ze worden niet van buiten de gemeenschap opgelegd.
Vanwege haar zorg voor de eenheid van de wereld, heeft de bahá’í-gemeenschap volledig deelgenomen aan de activiteiten van de Verenigde Naties (terwijl ze tegelijkertijd bedenkingen heeft bij de huidige structuur en grondwet van die organisatie).
De Bahá’í-gemeenschap wordt bij de Verenigde Naties vertegenwoordigd door een niet-gouvernementele organisatie die de Bahá’í International Community (BIC) heet en sinds haar oprichting in 1947 bij de Verenigde Naties is aangesloten. In de afgelopen decennia is het een van de meest actieve niet-gouvernementele organisaties bij de Verenigde Naties geweest en heeft een consultatieve status bereikt bij veel van de ondergeschikte organisaties van de Verenigde Naties (zoals ECOSOC, UNICEF, UNIFEM etc.) en heeft een belangrijke aanwezigheid bij alle grote conferenties van de Verenigde Naties. Tot de doelen die de Bahá’í International Community in de Verenigde Naties en haar organisaties nastreeft, behoren mensenrechten, de verbetering van de positie van vrouwen en morele opvoeding.
[Vertaald door Ben Burrekers]
– voor het grote publiek – niet academisch.
Het Bahá’í-geloof
Het Bahá’í-geloof is een religie die de hele wereld heeft omcirkeld en aanhangers heeft gekregen in elk land ter wereld, van elk type religieuze, etnische en sociale achtergrond.
Er zijn meer dan zeven miljoen bahá’ís die in meer dan 230 landen en afhankelijke gebieden leven.
Het is een jonge religie, gebaseerd op de geschriften van Bahá’u’lláh en gericht op het idee dat de belangrijkste vereiste van onze huidige tijd is dat de hele mensheid zich verenigt om vrede te brengen in de wereld. Rond deze centrale focus staan andere leringen die te maken hebben met de geestelijke ontwikkeling van het individu, sociale leringen en het kader van internationale instituten, bedoeld om de eenheid van de mensheid tot stand te brengen, de instructies voor het functioneren van de Bahá’í-gemeenschap die wordt gezien als een embryonale vorm en model van een verenigde wereld en de antwoorden op de langdurige theologische en filosofische kwesties die de mensheid altijd hebben bezig gehouden.
Historisch overzicht
De Stichter van het Bahá’í-geloof is Bahá’u’lláh (Zijn voornaam was Mírzá Husayn ‘Alí Núri, 1817-1892). Hij werd geboren in Iran en in 1844 werd Hij een volgeling van een nieuwe religieuze beweging, opgericht door de Báb (Siyyid ‘Alí Muhammad Shirází, 1819-1850).
De Bábí-beweging veroorzaakte grote opschudding in Iran en leidde tot een felle vervolging van haar aanhangers, waarbij vele duizenden stierven.
Na de executie van de Báb in 1850 werd Bahá’u’lláh in 1853 door de Iraanse regering verbannen naar Bagdad in Irak (dat toen deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk).
Hier in 1863 beweerde Hij de drager te zijn van een nieuwe boodschap van God – een boodschap die voortbouwt op de eerdere religies die in de wereld zijn verschenen en die de mensheid naar de volgende fase van haar sociale ontwikkeling zal brengen – de fase van wereldeenheid.
Bahá’u’lláh werd in 1863 door de Ottomaanse autoriteiten bevolen om naar Istanbul te gaan en werd vervolgens verbannen naar Edirne (1863-1868) en uiteindelijk in 1868 naar ‘Akká in wat toen de Ottomaanse provincie Syrië was en nu de staat Israël is, een stad waar naar de Ottomanen vaak religieuze en politieke gevangenen stuurden. In deze tijd verspreide het Bahá’í-geloof zich naar Egypte, India en Centraal-Azië.
Bahá’u’lláh verbleef in of rond ‘Akká totdat Hij in 1892 overleed.
Hij werd begraven op het terrein van het landhuis Bahji, net buiten ‘Akká en is de heiligste plek ter wereld voor bahá’s.
De wereldwijde geestelijke en bestuurscentra van het Bahá’í-geloof bevinden zich in de regio Haifa – ‘Akká.
We hebben het geluk om een pen-portret van Bahá’u’lláh te hebben van professor
E.G. Browne van de universiteit van Cambridge:
“In de hoek, waar de divan tegen de muur aansloot, zat een wonderbaarlijke en eerbiedwaardige figuur die een vilten hoofddeksel droeg van het soort, dat de derwisjen táj noemen, maar van ongewone hoogte en vorm, waarvan het benedenste gedeelte omwonden was met een smalle witte tulband. Het gelaat van hem op wie mijn blik viel, zal ik nooit vergeten, ofschoon ik het niet kan beschrijven. De doordringende ogen leken diep in iemands ziel te lezen, macht en autoriteit spraken uit dat hoge voorhoofd, diepe groeven in voorhoofd en gelaat deden aan een leeftijd denken die in tegenspraak scheen te zijn met het gitzwarte haar en de tot zijn middel reikende, weelderige baard. Onnodig te vragen in wiens tegenwoordigheid ik mij bevond, toen ik diep boog voor één die het voorwerp is van een toewijding en liefde, die koningen zouden benijden en waar keizers vergeefs naar zouden verlangen!”
Bahá’u’lláh benoemde Zijn zoon ‘Abdu’l-Bahá (Abbas Effendi, 1844-1921) tot Zijn opvolger als hoofd van het Bahá’í-geloof en ook tot de geautoriseerde vertolker van Zijn geschriften.
In 1911 en 1912/1913 maakte ‘Abdu’l-Bahá belangrijke reizen naar Europa en Noord-Amerika om de pas gestichte bahá’í-gemeenschappen daar te consolideren.
Tijdens deze reizen werd ‘Abdu’l-Bahá uitgenodigd om te spreken in kerken, moskeeën en synagogen, om veel prominente mensen te ontmoeten en om veel verschillende organisaties toe te spreken.
Shoghi Effendi (1897-1957) werd na de dood van zijn grootvader ‘Abdu’l-Bahá in 1921 hoofd van het Bahá’í-geloof en gevolmachtigd vertolker van de Bahá’í-geschriften.
Shoghi Effendi besteedde de eerste jaren van zijn ambt aan het opbouwen van het Bahá’í-bestuursstelsel. Vanaf ongeveer 1937 begon hij dit bestuurskader te gebruiken om het Bahá’í-geloof te verspreiden naar alle delen van de wereld waar nog geen bahá’ís waren.
Het Bahá’í-geloof wordt niet verspreid door betaalde missionarissen, maar door gewone bahá’ís die ervoor kiezen om naar een andere plaats te verhuizen en daar te werken in wat voor beroep dan ook, dat ze kunnen vinden. Shoghi Effendi heeft ook het Bahá’í-wereldcentrum uitgebreid en er plannen voor gemaakt, langs de lijnen waarvan de ontwikkeling tot op heden is doorgegaan.
Na het overlijden van Shoghi Effendi in 1957 was er een interim-bestuur tot 1963, toen het Universele Huis van Gerechtigheid werd gekozen, een instelling die in de geschriften van Bahá’u’lláh was verordend. Dit is nu het hoogste bestuurlijke orgaan van het Bahá’i’-geloof.
Het Universele Huis van Gerechtigheid heeft de taak voortgezet om het Bahá’í-geloof naar alle delen van de wereld te brengen en het bahá’í-gemeenschapsleven te ontwikkelen.
In de afgelopen decennia heeft de Bahá’í-gemeenschap te maken gehad met vervolging in sommige islamitische en communistische landen. De hevigste vervolging brak uit in Iran in 1979 na de Islamitische Revolutie aldaar. De leden van de Nationale Raad werden ontvoerd en vermoedelijk geëxecuteerd en veel leden van plaatselijke bahá’í-raden werden ook geëxecuteerd. Alleen door internationale druk kon een genocide voorkomen worden.
De regering van Iran heeft echter een systematische campagne opgezet om de Bahá’í-gemeenschap daar te demoraliseren en met geweld te bekeren.
Op dit moment is India de grootste Bahá’í-gemeenschap ter wereld, maar er zijn ook grote bahá’í-gemeenschappen in Zuid-Amerika, Afrika en Zuidoost-Azië.
De bahá’í-gemeenschappen in de Stille Oceaan behoren tot de grootste gemeenschappen in termen van bevolkingspercentage.
De groei van het Bahá’í-geloof wordt in het Midden-Oosten en delen van Oost-Azië geremd door overheidsbeperkingen en vervolging. De groei in Europa en Noord-Amerika is ook traag, deels vanwege de onverschilligheid ten opzichte van religie in deze landen en deels omdat de toewijding en de geestelijke discipline die het Bahá’í-geloof vereist, op dit moment niet in de mode is bij veel delen van de samenleving.
Heilige Geschriften
Tijdens Zijn leven schreef Bahá’u’lláh een aantal werken en veel brieven (door bahá’ís Tafels genoemd), als antwoord op vragen van zijn volgelingen en anderen. Deze worden allemaal beschouwd als onderdeel van de Bahá’í-geschriften en er wordt gezegd dat ze uit 100 delen bestaan. De belangrijkste werken van Bahá’u’lláh zijn de Kitáb-i-Aqdas (het Meest Heilige Boek), dat de meeste wetten en vele sociale verordeningen van Bahá’u’lláh bevat en de Kitáb-i-Iqán (het Boek van Zekerheid), dat veel theologische vragen behandelt en ook uitlegt hoe de profetieën van de Bijbel en de Koran geestelijk en metaforisch in plaats van letterlijk in vervulling zijn gegaan. Verschillende andere werken van Bahá’u’lláh, zoals de Verborgen Woorden (een samenvatting van Zijn geestelijke en ethische leringen) en de Zeven Valleien (Zijn belangrijkste mystieke werk), staan ook hoog aangeschreven. Veel compilaties van Bahá’u’lláh’s geschriften, voornamelijk uit Zijn brieven, zijn ook vertaald en gepubliceerd.
‘Abdu’l-Bahá schreef over veel thema’s, vooral de sociale leer van het Bahá’í-geloof, de bahá’í interpretatie van de Bijbel en andere geschriften en filosofische vraagstukken.
De geschriften van Bahá’u’lláh’s Voorloper, de Báb en van ‘Abdu’l-Bahá worden ook als geschriften beschouwd, hoewel sommige wetten en sociale verordeningen van de Báb door Bahá’u’lláh werden ingetrokken. De geschriften worden beschouwd als veel meer dan alleen de opslagplaats van de woorden van de Stichter. Het is zelf een scheppende, transformerende impuls.
Shoghi Effendi’s interpretaties van de geschriften van Bahá’u’lláh worden als gezaghebbend beschouwd, hoewel het geen geschriften zijn. Een groot deel van Shoghi Effendi’s geschriften bestaat uit zijn antwoorden op vragen over de ontwikkeling van het Bahá’í-bestuursstelsel. Hij schreef ook een verklarende geschiedenis van het Bahá’í-geloof en vertaalde veel van Bahá’u’lláh’s geschriften. Verslagen over de uitspraken van deze Centrale Figuren worden niet als gezaghebbend beschouwd.
Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá hebben veel gebeden geschreven die bahá’í’s gebruiken voor hun persoonlijke devoties en ook tijdens hun bijeenkomsten. Drie van Bahá’u’lláh’s gebeden hebben een rituele status en bahá’ís zijn verplicht om een van deze drie dagelijks te zeggen. Er is ook een verplicht begrafenisgebed. Andere gebeden van Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá zijn geschikt voor bijvoorbeeld huwelijken, begrafenissen, in moeilijke tijden en om weer gezond te worden, maar er is geen verplichting om ze in deze omstandigheden te gebruiken.
Het Universele Huis van Gerechtigheid heeft de autoriteit om op te treden als het hoofd van het Bahá’í-geloof en om wetten uit te vaardigen op die gebieden die nog niet door de geschriften worden bestreken. Op deze gebieden zijn haar woorden gezaghebbend.
Tot nu toe heeft het Huis van Gerechtigheid er echter de voorkeur aan gegeven om de bahá’ís aan te sporen om hun eigen beslissingen te nemen, gebaseerd op geestelijke en morele principes in plaats van afhankelijk te zijn van gedetailleerde wetgeving.
Bahá’í geloofsovertuigingen
De bahá’í-leringen stellen dat het doel van het leven in deze fysieke wereld is om zoveel mogelijk geestelijke eigenschappen als liefde, rechtvaardigheid, geduld, mededogen, wijsheid, zuiverheid en betrouwbaarheid te tonen – de lijst van deze deugden is lang.
Alle mensen zijn in staat om al deze deugden te tonen, hoewel elk individu de neiging zal hebben om ze in verschillende mate te tonen – vandaar de verschillen in karakter en persoonlijkheid. De fysieke wereld wordt dus gezien als de arena voor de ontwikkeling en perfectie van het menselijk wezen, een klaslokaal voor de geestelijke opvoeding en rijping van de ziel. Onze vooruitgang in deze klas kan het best worden bereikt door de leer te volgen van een van de Grondleggers van de wereldreligies, die de geestelijke Opvoeders van de mensheid zijn. De eerste plicht van menselijke wezens is daarom zich te wenden tot de leiding van een van deze Opvoeders.
Aangezien deze geestelijke eigenschappen die mensen proberen te verwerven, ook de eigenschappen van het Goddelijke zijn, komt het verwerven van deze eigenschappen neer op het dichter bij God komen, goddelijk worden (vandaar het concept dat mensen geschapen zijn naar het beeld van God).
Deze inspanningen om geestelijke eigenschappen te ontwikkelen moet dus niet gezien worden als, dat menselijke wezens die iets anders proberen te worden dan ze al zijn.
Het moet eerder gezien worden als het vrijmaken van het goddelijke potentieel dat al in ieder mens aanwezig is – de Bahá’í-geschriften spreken over opvoeding als het proces van het delven van de edelstenen die in ieder mens aanwezig zijn.
Het hele leven wordt daarom soms beschreven als een reis naar God. In de loop van deze reis kan men op beproevingen en moeilijkheden stuiten, maar deze moeten worden gezien als kansen om vooruitgang te boeken die iemands tekortkomingen aan het licht brengen en hem de kans geven om deze te overstijgen. Voor bahá’ís is verlossing dus geen staat die iemand al dan niet heeft bereikt. Het is een proces dat begint bij de geboorte en doorgaat na de dood – het proces van toenadering tot God. Alleen God kan weten en beoordelen waar iedereen in dit proces is begonnen, welke huidige status is bereikt en hoe snel de vooruitgang is die wordt geboekt.
Mensen zijn daarom niet in staat om over elkaar te oordelen met betrekking tot deze zaken.
Als hulp op iemands geestelijke reis heeft Bahá’u’lláh veel geschreven over de verschillende geestelijke eigenschappen die we moeten proberen te verwerven en heeft Hij bepaalde wetten gegeven die als geestelijke discipline kunnen worden beschouwd.
Als iemand goed piano wil leren spelen, moet hij de discipline opbrengen om elke dag te oefenen en op dezelfde manier heeft Bahá’u’lláh , om mensen te helpen met hun geestelijke vooruitgang, enkele wetten gegeven zoals een dagelijkse eis om te bidden, te mediteren, de schriften te lezen en een jaarlijkse periode van vasten.
Bahá’u’lláh heeft echter elke vorm van priesterschap of religieus leiderschap onder de bahá’ís verboden. Alle bahá’ís hebben de plicht om zelf de waarheid te onderzoeken door gebed, bestuderen van de geschriften, meditatie en reflectie op hun ervaringen.
De geestelijke leiding die religieuze leiders in andere religies geven kan uit deze bronnen worden verkregen, maar ook uit groepsoverleg over moeilijke kwesties.
Bij het onderrichten van het Bahá’í-geloof aan anderen moet wijsheid worden gebruikt om confrontatie en twist te voorkomen, maar het verloochenen van iemands geloof is niet toegestaan. Hoewel de vele martelaren die het Bábí- en Bahá’í-geloof hebben gehad worden geprezen, moet het martelaarschap niet opzettelijk worden nagestreefd en wordt zelfmoord veroordeeld.
Bahá’u’lláh verzekert dat er een Opperste Werkelijkheid is die in de westerse gebieden God wordt genoemd. Aangezien God oneindig is en menselijke geesten alleen het eindige kunnen conceptualiseren, heeft de mens geen toegang tot kennis van de Allerhoogste
Werkelijkheid. Noch de formuleringen van God, gemaakt door de westerse religie, noch de beschrijvingen van verschillende soorten ultieme realiteiten, gegeven in de oosterse religies (bijvoorbeeld Brahman, Dharmakaya, Nirvana of de Tao) zijn adequaat of accuraat.
De Allerhoogste Werkelijkheid overstijgt al deze formuleringen en conceptualiseringen.
De enige kennis die we van die Opperste Werkelijkheid kunnen krijgen, is de kennis die ons gebracht wordt door bepaalde tussenpersonen die van tijd tot tijd opstaan en de grote religies van de wereld stichten. Deze tussenpersonen, onder wie bahá’ís Abraham, Krishna, Zoroaster, Boeddha, Christus en Mohammed herkennen, openbaren de eigenschappen van God aan mensen zowel in de geschriften die zij voortbrengen als in hun eigen persoon, daarom worden zij in de Bahá’í-geschriften Manifestaties van God genoemd. Alle kennis die mensen hebben van de Allerhoogste Werkelijkheid is in werkelijkheid kennis van de Manifestaties van God. Bahá’u’lláh beweert de laatste te zijn in deze keten van Manifestaties van God. De Báb wordt ook beschouwd als een Manifestatie van God.
Deze Manifestaties van God brengen de wereld die leringen die nodig zijn voor de geestelijke en sociale vooruitgang van de mensheid. Aangezien elk van deze Stichters op een ander tijdstip in verschillende delen van de wereld is gekomen, is Hun boodschap aangepast aan de behoeften van de tijd en plaats. De boodschap van elke Manifestatie van God bouwt voort op wat de vorige heeft gebracht. Bahá’u’lláh beweert dat Hij de laatste in deze reeks boodschappen van de Allerhoogste Werkelijkheid heeft gebracht en dat Zijn boodschap de boodschap is die relevant is voor vandaag, dat vandaag de tijd is waarin de hele mensheid moet samenkomen in een wereldomvattende eenheid. Bahá’u’lláh beweert van gelijke rang te zijn en geestelijk inderdaad dezelfde werkelijkheid te bezitten als de voorgaande Stichters van de wereldreligies. Het is slechts het feit dat deze boodschap de meest recente en daarom de volledigste en meest relevante openbaring van Gods wil is, dat het Zijn openbaring van groter belang maakt voor de mensen van deze tijd.
Bahá’u’lláh beweert dat alle geschriften van de wereldreligies profetieën bevatten over een toekomstige wereldverlosser en dat Hij de vervulling van al deze profetieën is.
Een van de belangrijkste vragen die religies hebben proberen te beantwoorden is, wat gebeurt er na de dood? Bahá’u’lláh stelt dat de mens na de dood verder bestaat als een geestelijke entiteit (een ziel) en vooruit gaat in hogere geestelijke werelden naar zijn uiteindelijke doel van hereniging met God. In deze wereld bereiden we ons in zekere zin voor op de volgende wereld en we kunnen dit het beste doen door een van de geestelijke Opvoeders van de mensheid, de Stichters van de wereldreligies, te volgen.
In de bahá’í-geschriften wordt de analogie gebruikt van het embryo in de baarmoeder van zijn moeder. Net zoals het embryo armen, benen en ogen ontwikkelt, waarvan de noodzaak pas duidelijk wordt als het in deze wereld geboren wordt, zo ontwikkelen mensen in dit leven geestelijke eigenschappen waarvan het belang pas na de dood ten volle zal worden ingezien.
De geschriften van vele religies hebben geschreven over de hemel en de hel met betrekking tot het leven na de dood. Bahá’ís geloven dat dit metaforen waren voor de toestand van respectievelijk dicht bij of ver van God zijn. In die zin kunnen we ook in deze wereld in de hemel of in de hel zijn.
Een andere vraag die religies hebben is, proberen te beantwoorden waarom er kwaad en lijden is in deze wereld, indien God genadig en goed is. Een antwoord op deze vraag is dat als menselijke wezens niet de potentie hebben om kwaad te doen en lijden te veroorzaken, er niet gezegd kan worden dat ze een vrije wil hebben, wat een van de eigenschappen van God is – en daarom kunnen ze God niet kennen en deze eigenschap van God niet verwerven.
Een deel van ons lijden is natuurlijk het directe gevolg van onze eigen daden, iets wat we verkeerd of onverstandig hebben gedaan. De bahá’í-leringen beweren dat het universum beheerst wordt door fysieke, morele en geestelijke wetten en als we deze wetten overtreden of er tegenin gaan, moeten we verwachten dat we de gevolgen daarvan zullen ondervinden.
Een ander antwoord op zijn vraag is hierboven gegeven – dat lijden mensen kan helpen om geestelijk te groeien; het zorgt er inderdaad vaak voor dat mensen zich de leegte van deze wereld realiseren en hun aandacht richten op het belang van het geestelijke leven.
De bahá’í-geschriften beweren inderdaad dat er geen kwade kracht (zoals satan) in de wereld is. Dergelijke concepten verwijzen in werkelijkheid naar de dierlijke kant van de mens dat toegestaan wordt het geestelijke aspect te overheersen; de mens verandert dan in een entiteit die lager is dan het dier.
Bahá’u’lláh schrijft dat de mensheid nu volwassen is en dat daarom veel van de concepten en praktijken die voorheen deel uitmaakten van religie kunnen worden afgeschaft, zoals concepten als satan, hemel en hel als letterlijke fysieke entiteiten en praktijken als biecht en priesterlijke vergeving van zonden. Zulke dingen behoren tot de kindertijd van de mensheid en kunnen nu worden weggegooid of op een meer volwassen en verfijnde manier worden geherconceptualiseerd.
De breekbaarheid en strijdlustigheid van de menselijke samenleving wordt ook beschouwd als iets dat de mensheid achter zich laat wanneer ze volwassen is.
Familie en samenleving
De bahá’í-leringen beschouwen het gezin als het fundament van de geestelijke ontwikkeling van het individu en de basis voor de stabiliteit en vooruitgang van de samenleving.
De beste en sterkste huwelijken zijn die, welke gebaseerd zijn op zowel de geest als het lichaam. Een van de belangrijkste functies van het huwelijk is het grootbrengen van kinderen. De gezinseenheid is de beste manier om een evenwichtige en stabiele achtergrond te bieden waarin kinderen kunnen opgroeien en leren om morele en sociale wezens te worden.
Echtscheiding wordt sterk afgeraden, maar als er onverzoenlijke verschillen en antipathie tussen de partners zijn, is het toegestaan na één jaar wachten, waarin inspanningen moeten worden gedaan om een verzoening tot stand te brengen.
Van de bahá’í-leringen kan gezegd worden dat ze gericht zijn op een vergeestelijking van zowel het individu als zijn directe samenleving en van de hele mensheid op wereldniveau.
Als individuen zijn mensen verantwoordelijk voor hun eigen geestelijke transformatie en ontwikkeling. Maar mensen zijn ook sociale wezens en hebben een verantwoordelijkheid voor de transformatie van hun samenleving. De twee processen zijn zelfs wederkerig, voor zover iemands betrokkenheid bij het verbeteren van zijn samenleving op zijn beurt zijn eigen geestelijke ontwikkeling ondersteunt.
Bahá’ís zien de sociale leringen in de verschillende religies van de wereld als de oorzaak van de sociale ontwikkeling van de mensheid. De volgende fase van dit proces moet plaatsvinden via de leringen, gebracht door Bahá’u’lláh en is gericht op het verenigen van de mensheid en het vestigen van wereldvrede. Wat de Bahá’í-geschriften geven zijn geen specifieke economische, politieke beleidslijnen en wetten, maar eerder principes die alle sociale beleidslijnen en wetten moeten leiden als ze succesvol willen zijn, in het brengen van vooruitgang naar wereldvrede en dus naar het welzijn en de vooruitgang van de mensheid.
Bahá’u’lláh ziet de leringen die Hij heeft gebracht als het scheppen van een nieuwe sociale werkelijkheid. Een aspect van deze nieuwe sociale realiteit is dat ze mondiaal zal zijn, dat het bewustzijn van mensen, hun identiteiten naar een mondiaal niveau zullen worden getild, zodat ze niet langer aan zichzelf denken in termen van enge raciale, religieuze, etnische of klassenidentiteiten, maar eerder als burgers van de wereld. De visie die hieraan ten grondslag ligt is die van de organische eenheid van de menselijke wereld.
De wereld van de mensheid wordt in de geschriften van Bahá’u’lláh vergeleken met het menselijk lichaam dat bestaat uit massa’s cellen, die op elk hun eigen manier bijdragen aan het geheel en van het geheel hun voeding ontvangen, maar die tegelijkertijd hun individualiteit behouden. Om zo’n staat te bereiken moeten natuurlijk de verschillende vooroordelen en haatgevoelens worden weggenomen die de mensen nu verdelen en de onrechtvaardigheden die de woede en wrok van grote aantallen mensen aanwakkeren en leiden tot vervreemding, vandalisme en terrorisme.
Een van de meest blijvende en diepgewortelde vooroordelen in de menselijke wereld zijn gendervooroordelen. Gedurende het grootste deel van de opgetekende geschiedenis is de menselijke samenleving voornamelijk patriarchaal geweest, dat wil zeggen de heerschappij van mannen.
De waarden van patriarchale samenlevingen zoals macht, overwinning en overheersing, zijn precies de waarden die agressiviteit en oorlog bevorderen. Daarom verwijzen de Bahá’í-geschriften naar de noodzaak om een beter evenwicht te bereiken tussen de mannelijke en vrouwelijke elementen in de samenleving en naar het belang om vrouwen te helpen een actievere rol in de sociale sfeer te spelen. Dit zal op zichzelf al een krachtig middel zijn om vrede in de wereld te bevorderen. Aangezien vrouwen gewoonlijk de eerste opvoeders van hun kinderen zijn, wordt bovendien in het Bahá’í-geloof veel nadruk gelegd op het belang van de opvoeding van de dochter, zodat zij op haar beurt een goede opvoeder van haar kinderen kan zijn.
De Bahá’í-geschriften stellen dat het menselijk verstand en zijn redeneervermogen een van de onderscheidende kenmerken van de mensheid zijn en de wetenschap die daarvan de vrucht is, als een goddelijke gave wordt beschouwd. Wetenschap en religie hebben in het verleden echter vaak tegenover elkaar gestaan. De Bahá’í-geschriften beschrijven wetenschap en religie als de twee vleugels van de vogel van de mensheid, alleen als beide sterk zijn en samenwerken kan de vogel vliegen. Zo heeft de wetenschap die de mensheid een beheersing over de natuur biedt, religie nodig om te voorkomen dat die beheersing een bron van kwaad, oorlog of milieuramp wordt. Op dezelfde manier daalt religie zonder wetenschap af tot bijgeloof en bekrompenheid.
Een van de belangrijkste vragen waar de mensheid voor staat is de balans tussen individuele rechten en de behoefte van de samenleving aan orde en verantwoordelijkheidsgevoel bij haar burgers. In de vorige eeuw werd de cultus van het individualisme enorm gepromoot door politici en anderen, voornamelijk in het Westen. Maar Bahá’u’lláh waarschuwde dat als zulke vrijheid te ver wordt doorgevoerd, het een grote bron van kwaad kan worden die leidt tot losbandigheid en verdorvenheid. Hij pleitte voor gematigdheid in zulke zaken.
De individuen in de samenleving moeten echter geestelijk getransformeerd worden om de gegeven vrijheden op een verantwoordelijke en bewuste manier te kunnen gebruiken.
De Bahá’í-geschriften bevelen democratische regeringsvormen aan en roepen in het bijzonder op tot overleg als de belangrijkste manier om beslissingen te nemen.
Met andere woorden, de mensheid moet af van de situatie (dat zich net zo goed in democratieën als in autoritaire regimes kan voordoen) waarin één persoon of een groep alle belangrijke beslissingen neemt. Degenen die gezaghebbende posities bekleden en de gekozen vertegenwoordigers van het volk moeten de hoogste morele standaarden aanhouden en vooral rechtvaardig en onbaatzuchtig zijn in de uitvoering van hun taken.
De bahá’í-leringen stellen dat het meeste economische beleid van regeringen vandaag de dag gedoemd is te mislukken omdat het gebaseerd is op onjuiste aannames. Een van deze onjuiste veronderstellingen is het idee dat menselijk geluk en tevredenheid bereikt kunnen worden door alleen maar de rijkdom van de individuele leden van de samenleving te vergroten.
Volgens de bahá’í-leringen en die van andere religies komt waar menselijk geluk voort uit onthechting van rijkdom en dienstbaarheid aan anderen. Economische problemen zijn ten diepste geestelijk van aard, ze zijn een symptoom van een geestelijke malaise en kunnen dus alleen opgelost worden door de onderliggende geestelijke problemen te corrigeren, problemen zoals onrechtvaardigheid, corruptie en egoïsme. De rijken zouden zich moeten realiseren dat hun geestelijke gezondheid afhankelijk is van het delen van hun rijkdom.
Allen zouden nuttige kunsten en wetenschappen moeten leren en zich bezig houden met werk dat, indien het wordt uitgevoerd in een geest van dienstbaarheid, wordt beschouwd als aanbidding.
Deze sociale doelen zoals een nieuw mondiaal bewustzijn en vrijheid van vooroordelen, kunnen worden bereikt door de persoonlijke transformatie die de kracht van religie teweeg- brengt. Een andere belangrijke manier om sociale verandering te bewerkstelligen is door opvoeding. Opvoeding moet zich in de eerste plaats bezighouden met de vorming van zeden en waarden in het kind en pas in de tweede plaats met de overdracht van kennis.
Op deze manier wordt het ook een belangrijke factor in het terugdringen van criminaliteit.
Wat de problemen op wereldniveau betreft, stelde Bahá’u’lláh dat de problemen van de wereld niet kunnen worden opgelost en de welvaart van de mensen niet kan worden bereikt tenzij en totdat de wereld verenigd wordt. Als eerste stap op deze weg richtte Hij Zich tot de koningen en heersers van de werelden riep hen op om een internationale conferentie bijeen te roepen, waar ze alle resterende grensgeschillen en openstaande geschilpunten zullen oplossen, hetzij door overeenstemming, hetzij door arbitrage. Zodra deze fase van de conferentie is afgerond zullen de naties van de wereld een bindende overeenkomst tekenen om deze erkende grenzen te handhaven en zullen ze overeenkomen dat als een land de grens van een ander land overschrijdt, alle andere landen van de wereld tegen de agressor in opstand zullen komen. Deze wederzijdse gegarandeerde veiligheid zal, zo beweren de Bahá’í-geschriften, de naties van de wereld, vooral de armere naties, in staat stellen om hun uitgaven aan bewapening te verminderen en de daaruit voortvloeiende besparingen te besteden aan die gebieden zoals gezondheidszorg en onderwijs, die welvaart zullen brengen aan hun volkeren.
De grote problemen van de wereld, zoals milieuvervuiling, de kloof tussen de rijke en arme landen, de opwarming van de aarde en drugshandel, dit zijn mondiale problemen en kunnen daarom alleen effectief op mondiaal niveau worden aangepakt. Uiteindelijk zal het daarom, zo beweren de Bahá’í-geschriften, noodzakelijk worden om mondiale instellingen op te richten, waaronder een wereldwetgevende macht, een werelduitvoerende macht en een wereldgerechtshof.
Andere sociale leringen die in de bahá’í-geschriften te vinden zijn, zijn eveneens gebaseerd op het onderliggende geestelijke principe van rechtvaardigheid of ze bevorderen een mondiale visie en een werkelijk geïntegreerde wereldorde. Hiertoe behoort het gebod aan de regeringen van de wereld om een universele taal aan te namen die op alle scholen naast de moedertaal van elk volk zal worden onderwezen, de aanneming van een universeel systeem van maten en gewichten, de aanneming van een universele standaard van mensenrechten en de universele leerplicht voor kinderen.
Het belang en de voorrang van de landbouw wordt ook in de bahá’í-geschriften benadrukt.
Tot de dingen die in andere religies voorkomen maar die door Bahá’u’lláh specifiek worden afgeschaft, behoren: het priesterschap, het voeren van een heilige oorlog, ascese en monnikendom, het belijden van zonden, het verbranden van boeken, het gebruik van spreekstoelen en het als onrein beschouwen van bepaalde mensen of dingen.
We leven in een wereld die al verenigd is op het gebied van reizen, communicatie, nieuwsmedia, financiën en zaken doen. We moeten ons bewustzijn verhogen tot dit niveau van eenheid, onszelf toestaan ons te verhouden tot zijn nieuwe identiteit en beperkte nationale, raciale, klasse- of stamidentiteiten achter ons laten.
Maar verder moeten mensen streven naar een nog hoger niveau van eenheid waar ze tot een geestelijk begrip komen van de eenheid van de hele mensheid, een gevoel van solidariteit met alle mensen, zodat het lijden van mensen in welk deel van de wereld dan ook, wordt als het lijden van onze eigen broeder of zuster.
Het is belangrijk om op te merken dat de bahá’í-geschriften specifiek waarschuwen tegen elke neiging tot uniformiteit. Het bahá’í-idee is niet om iedereen onder één dominante cultuur te laten vallen. Overmatige centralisatie moet vermeden worden en beslissingen moeten zovele mogelijk op lokaal en nationaal niveau genomen worden. Naties zullen blijven bestaan (en mensen zullen een gematigde mate van patriottisme blijven hebben) maar ze moeten bepaalde rechten afstaan aan deze wereldwijde instellingen, inclusief het recht om oorlog te voeren. Het is belangrijk dat eenheid tot stand komt in de aanwezigheid van een verscheidenheid aan culturen. Het doel van de bahá’í is om de rijke verscheidenheid aan menselijke taal, cultuur, traditie en gedachten op deze planeet te behouden en tegelijkertijd de oorzaken van conflicten en onenigheid weg te nemen.
Voor sommigen kunnen bahá’ís dromers lijken die het onmogelijke wensen, voor anderen kan zo’n visie de sociale controle en het autoritarisme van George Orwells nachtmerrie 1984 oproepen. Bahá’ís zouden de eerste groep antwoorden door te zeggen dat zij verre van dromers zijn, maar dat zij juist wakker zijn geworden voor de realiteit van de onderling verbonden en onderling afhankelijke wereld waarin we nu leven en dat integendeel, zij die denken dat we de wereld op de huidige manier kunnen blijven besturen zonder op een ramp af te stevenen, de dromers zijn.
Tegen de tweede groep zouden bahá’َís willen zeggen dat de Orwelliaanse nachtmerrie weliswaar een sterke emotionele aantrekkingskracht heeft, maar niet overeenstemt met de feiten. Een grotere mate van eenheid, mits binnen een democratische structuur, geeft individuen meer rechten in plaats van minder. Een burger van Frankrijk kan bijvoorbeeld, omdat zijn land lid is geworden van de Raad van Europa, zijn eigen regering voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dagen.
Aanbidding en feesten
Over het algemeen zijn er weinig rituelen en vaste handelingen van openbare eredienst in het Bahá’í-geloof en er zijn zelfs specifieke instructies om deze niet te laten ontstaan.
Zoals hierboven vermeld worden bahá’ís door Bahá’u’lláh opgedragen dagelijks te bidden en tweemaal daags de geschriften te lezen en erover te mediteren.
Er is een jaarlijkse vastenperiode van 19 dagen waarin bahá’ís van zonsopgang tot zonsondergang vasten. Dit is een periode van geestelijke regeneratie en een symbool van iemands onthechting van de dingen van deze wereld.
Er zijn geen vaste openbare gemeenschappelijke rituelen in het Bahá’í-geloof. De bahá’í-gemeenschap als geheel komt eens in de negentien dagen samen (het Negentiendaags- feest) heeft drie onderdelen, te weten devotioneel, consultatie en sociaal. Bahá’ís kiezen over het algemeen een programma van gebeden, lezingen en muziek. Op dezelfde manier zijn er, afgezien van de uitwisseling van geloften bij de huwelijksceremonie en het opzeggen van een bepaald gebed bij een begrafenis, geen vaste ceremonies voor deze gelegenheden en kunnen families hun eigen programma kiezen. Het gebrek aan vaste formele rituelen betekent dat artistieke en lokale culturele elementen in deze bijeenkomsten kunnen worden verwerkt.
De negen bahá’í heilige dagen herdenken gebeurtenissen uit het leven van de Báb en Bahá’u’lláh. Het bahá’í-nieuwjaar valt op de lente-equinox (21 maart) en wordt ook als heilige dag gevierd. Bahá’ís werken indien mogelijk niet op deze dagen. Er zijn geen vaste rituelen die op deze dagen worden uitgevoerd, hoewel er enkele specifieke passages uit de geschriften zijn die bij deze dagen passen en daarom gewoonlijk worden gereciteerd.
Bahá’ís die in staat zijn om op bedevaart te gaan naar de heilige plaatsen van het Bahá’í-geloof in het Haifa-‘Akká gebied. Deze heilige plaatsen zijn onder andere de heiligdommen van Bahá’u’lláh, de Báb en ‘Abdu’l-Bahá en plaatsen waar Baháִ’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá geleefd hebben. De pelgrimstocht duurt negen dagen en er is een programma voor georganiseerd door het Bahá’í-wereldcentrum.
Momenteel worden de meeste bijeenkomsten van bahá’í-gemeenschappen gehouden in de huizen van de bahá’ís, of als er genoeg bahá’ís in een gebied zijn, kopen of huren ze een bahá’í-centrum. Afgezien van het Negentiendaagsfeest en de herdenking van heilige dagen hebben de meeste bahá’í-gemeenschappen bijeenkomsten om het Bahá’í-geloof aan mensen die belangstellend zijn te introduceren, zoals devotionele bijeenkomsten, studiekringen en kinderklassen. Het is de bedoeling dat elke bahá’í-gemeenschap in de toekomst wordt gecentreerd rond een Huis van Aanbidding, een gebouw dat gewijd zal zijn aan aanbidding, vooral bij het aanbreken van de dageraad.
Daarom heen zullen sociale instellingen worden gebouwd zoals scholen, ziekenhuizen, weeshuizen en bibliotheken. Op dit moment zijn er slechts zeven van deze Huizen van aanbidding gebouwd (2003), verspreid over de hele wereld.
Het Bahá’í-geloof in de hedendaagse wereld
Bahá’ís zijn van mening dat Bahá’u’lláh niet alleen de leringen heeft gebracht die nodig zijn om eenheid in de wereld tot stand te brengen, maar ook het instrument heeft geschapen om dit tot stand te brengen door middel van Zijn instructies voor de oprichting en het functioneren van de Bahá’í-gemeenschap. De Bahá’í-gemeenschap wordt dus door bahá’ís beschouwd als zowel een model als een embryonale vorm van de toekomstige wereld die in Bahá’u’lláh’s geschriften wordt beoogd.
Het Bahá’í-geloof kent geen geestelijken of andere vormen van individueel leiderschap.
Alle bahá’ís moeten elkaar als gelijken beschouwen en allen worden aangemoedigd om zo actief aan het bahִá’í-gemeenschapsleven deel te nemen als hun omstandigheden toelaten.
Zoals hierboven aangegeven, proberen bahá’ís gemeenschappen op te bouwen die niet patriarchaal zijn, gemeenschappen waarin geen hiërarchiebouwen die niet patriarchaal zijn, gemeenschappen waarin geen hiërarchieën van individuen bestaan, waar mensen van elk ras, minderheidsgroep, klasse en geslacht eraan kunnen deelnemen, hun mening kunnen geven en het gevoel hebben dat hun bijdrage gewaardeerd wordt. Deze taak is nog niet volbracht, maar is een “werk in uitvoering”. In tegenstelling tot veel religies die terugkijken naar een oeroude gouden eeuw zijn bahá’ís zich er zeer van bewust dat ze naar hun ideaal aan het toewerken zijn. De volgende paragrafen geven een idee van de manier waarop bahá’َs deze doelen proberen te implementeren.
Omdat de Bahá’í-gemeenschap geen individuele religieuze leiders heeft, worden haar zaken bestuurd door gekozen raden die “Geestelijke Raden” worden genoemd. Deze worden jaarlijks gekozen op lokaal en nationaal niveau en om de vijf jaar op internationaal niveau (voor het Universele Huis van Gerechtigheid). Verkiezingen worden gehouden in een biddende sfeer en zonder enige vorm van verkiezingsstrijd. De gekozenen hebben zelf geen rang of autoriteit, alleen de raad heeft autoriteit wanneer ze beslissingen neemt na overleg.
Zoals hierboven aangegeven is het gezag van deze raden zo gedecentraliseerd mogelijk, waarbij lokale beslissingen op lokaal niveau worden genomen.
Bahá’í-besluitvorming vindt plaats door middel van consultatie. Het bahá’í-consultatieproces is ontworpen om het voor iedereen gemakkelijker te maken om eraan deel te nemen, zelfs voor degenen die niet gewend zijn om in het openbaar te spreken. Het moet worden uitgevoerd in een gebedsvolle sfeer en de geestelijke eigenschappen waarvan gezegd wordt dat ze nodig zijn voor deelname aan het consultatieproces, zijn onder andere zuiverheid van motief, uitstraling van geest, onthechting van al het andere behalve God en nederigheid en geduld.
Door deel te nemen aan dit proces ontwikkelt men dus ook geestelijke eigenschappen.
Het doel is om een bundeling van ideeën en creativiteit te scheppen waaruit de beste beslissing of het beste begrip voortkomt op basis van de collectieve wijsheid van de groep.
Dit proces van overleg wordt ook in andere contexten gebruikt. Het wordt gebruikt op het Negentiendaagsfeest (zie hierboven), wanneer de zaken van de gemeenschap worden besproken. Het kan ook gebruikt worden voor het verkrijgen van geestelijke leiding uit de geschriften en voor het nemen van persoonlijke beslissingen.
Het ethos van de bahá’í-gemeenschap is erg gericht op, sommigen zouden zelfs zeggen, obsessief gericht op eenheid. Men zou kunnen zeggen dat eenheid de hoogste waarde is in het Bahá’í-geloof. Het is natuurlijk logisch dat een religie die gelooft dat het haar missie is om eenheid in de wereld te brengen, zelf niet verdeeld kan zijn. Er zijn bijvoorbeeld maatregelen genomen om te voorkomen dat er sektarische groepen ontstaan rond charismatische leiders of bepaalde ideologieën. Zo worden alle bahá’ís aangemoedigd om de bahá’í-geschriften te lezen en zelf te interpreteren, maar niemand mag beweren dat zijn of haar interpretatie de juiste gezaghebbende is.
De hoeksteen van de eenheid van de Bahá’í-gemeenschap is het concept van het Verbond. Dit verwijst naar de aangewezen autoriteit van de opeenvolgende hoofden van het Bahá’í-geloof en vereist dat elke bahá’í loyaal is aan het hoofd van het Geloof (het “Centrum van het Verbond”) in zijn eigen tijd (wat momenteel het Universele Huis van Gerechtigheid inhoudt) en deze gehoorzaamt.
Dus hoewel het Geloof in een bepaalde geloofsbelijdenis of het aanhangen van een bepaalde rechtsschool de onderscheidende factor van een bahá’í kan zijn, is gehoorzaamheid en loyaliteit aan het “Centrum van het Verbond”.
De bahá’í-gemeenschap heeft zich systematisch over de wereld verspreid. Een reeks plannen die vanaf 1937 begon en tot op heden voortduurt, heeft geresulteerd in de verspreiding van het Bahá’í-geloof naar elk land ter wereld (met uitzondering van het Vaticaan) en in de oprichting van bahá’í-instellingen in alle landen waar deze niet specifiek bij wet verboden zijn. Bahá’ís hebben ook doelbewust en systematisch geprobeerd om leden van elke tribale (stam) en etnische minderheid in elk land in de bahá’í-gemeenschap op te nemen. Bahá’í-literatuur is vertaald in meer dan 800 talen. Recente plannen hebben echter de nadruk verlegd van louter geografische spreiding en het oprichten van instellingen naar meer kwalitatieve doelen, waarbij de bovenstaande visie op hoe een bahá’í-gemeenschap zou moeten functioneren, meer in de richting van de werkelijkheid wordt gestuurd en een nieuwe cultuur van universele deelname aan de activiteiten van de gemeenschap wordt aangemoedigd.
De snelle groei van het Bahá’í-geloof in de jaren 1960-1980 heeft een groot aantal arme, ongeletterde dorpelingen en inheemse stammen in de Derde Wereld in India, Afrika en Zuid-Amerika tot de gemeenschap gebracht. Dit vormde een enorme uitdaging voor de Bahá’í-gemeenschap. De bahá’í-leringen leggen een grote nadruk op onderwijs voor de Bahá’í-gemeenschap. De bahá’í-leringen leggen een grote nadruk op onderwijs en het uitbannen van extreme armoede en rijkdom. Ook het bahá’í-bestuurssysteem functioneert niet goed als er niet een zekere mate van geletterdheid aanwezig is. De bahá’í-gemeenschap heeft dus moeten worstelen met het probleem van de sociale en economische ontwikkeling van gemeenschappen. Zoals hierboven aangegeven, verwerpen de bahá’í-leringen het concept dat een dergelijke ontwikkeling alleen zou moeten gaan over het vergroten van de welvaart van een gemeenschap. Ontwikkeling zou eerder moeten gaan over het verbeteren van de menselijke hulpbronnen van elke gemeenschap, het vergroten van hun zelfredzaamheid, het verbeteren van hun gemeenschappelijke solidariteit, het geven van toegang tot kennis en het wegnemen van bronnen van onrechtvaardigheid waar mogelijk. Natuurlijk kunnen sommige van deze doelen niet worden bereikt met de inbreng van materiële middelen, maar deze moeten een aanvulling zijn en niet het hoofddoel. Het doel is om geestelijke, morele en materiële ontwikkeling met elkaar te verbinden.
In de praktijk hebben bahá’ís over de hele wereld duizenden projecten opgezet. Sommige daarvan zijn van korte duur zoals gezondheidskampen, trainingsseminars, het planten van bomen en milieu-opruimingsprojecten. Andere zijn langlopend en omvatten alfabetiserings-, gezondheidszorg-, landbouw- en milieuprojecten. Het grootste aantal van dergelijke projecten zijn scholen, variërend van eenvoudige dorpsschooltjes tot grote middelbare scholen en zelfs enkele universiteiten.
Niet alle onderwijsprojecten van bahá’ís hebben echter betrekking op kinderen.
Het Barli Development Institute for Rural Women in Indore, India bijvoorbeeld, leidt stam- en dorpsvrouwen op in alfabetisering, beroepsvaardigheden en organisatorische vaardigheden en maakt van hen een bron van kennis over hygiëne, gezondheid en milieukwesties in hun gemeenschap. Het project werd in 1992 door UNEP opgenomen in de Global 500 Roll of Honour, in 1994 in de INNOV-database van UNESCO als een van de 81 succesvolle projecten voor basisonderwijs in ontwikkelingslanden en in 2000 door UNICEF erkend als beste praktijk in het onderwijs aan meisjes. Ook FUNDAEC (Fundación para la Aplicaión y Enseñanza de la Ciencias) is een Colombiaanse stichting die is opgericht door een groep universiteitsprofessoren met als doel middelbaar en universitair onderwijs te ontwikkelen voor de plattelandsbevolking, in plaats van te beginnen met basis- of beroepsonderwijs.
In zo’n dertien departementen van het land is het overgenomen door staatsinstellingen of particuliere, niet-gouvernementele instellingen, waarmee meer dan 15.000 studenten worden bereikt en de methoden zijn nu overgenomen door een ander, door bahá’í geïnspireerd programma, in Honduras.
In Zuid-Amerika zijn radiostations, vanwege de reis en communicatieproblemen, bijzonder effectief gebleken als instrument voor sociale ontwikkeling. Het bahá’í radiostation in Otvalo, Ecuador, wordt niet alleen gebruikt om programma’s over alfabetisering , onderwijs, landbouw en gezondheid uit te zenden, maar zet zich ook in om de cultuur van het Quichua-volk, die vaak een tweederangs status heeft onder de dominante Hispanic (Latijns-Amerikaans) cultuur, te verhogen en nieuw leven in te blazen.
Bahá’í-gemeenschappen hebben zes radiostations in Amerika (2003).
Een kenmerk van al deze bahá’í-projecten is dat de voordelen ervan niet beperkt zijn tot de bahá’ís in de plaatsen waar ze worden uitgevoerd, maar openstaan voor de hele gemeenschap. Een ander kenmerk is dat deze projecten worden ontwikkeld in overleg met degenen voor wie ze bedoeld zijn. Ze worden niet van buiten de gemeenschap opgelegd.
Vanwege haar zorg voor de eenheid van de wereld, heeft de bahá’í-gemeenschap volledig deelgenomen aan de activiteiten van de Verenigde Naties (terwijl ze tegelijkertijd bedenkingen heeft bij de huidige structuur en grondwet van die organisatie).
De Bahá’í-gemeenschap wordt bij de Verenigde Naties vertegenwoordigd door een niet-gouvernementele organisatie die de Bahá’í International Community (BIC) heet en sinds haar oprichting in 1947 bij de Verenigde Naties is aangesloten. In de afgelopen decennia is het een van de meest actieve niet-gouvernementele organisaties bij de Verenigde Naties geweest en heeft een consultatieve status bereikt bij veel van de ondergeschikte organisaties van de Verenigde Naties (zoals ECOSOC, UNICEF, UNIFEM etc.) en heeft een belangrijke aanwezigheid bij alle grote conferenties van de Verenigde Naties. Tot de doelen die de Bahá’í International Community in de Verenigde Naties en haar organisaties nastreeft, behoren mensenrechten, de verbetering van de positie van vrouwen en morele opvoeding.
[Vertaald door Ben Burrekers]